X
HOME
ORGANISATIE
DIENSTEN
ACTUEEL
DOWNLOADS
CONTACT
    Privacy statement
Algemene voorwaarden
Copyright

Van fraude onwetende ondernemer mag nultarief niet hanteren

Een btw-ondernemer laat zijn eenmanszaak – onbewust –misbruiken voor btw-carrouselfraude. Onder die omstandigheden mag de Belastingdienst de toepassing van het nultarief weigeren, zo oordeelt Rechtbank-Noord-Nederland.

Een man drijft een eenmanszaak die voornamelijk technische artikelen en onderdelen voor personenwagens, trucks, trailers, carrosseriebouw en de industrie levert. In 2010 breidt de man de activiteiten van zijn eenmanszaak uit met de in- en verkoop van mobiele telefoons en tablets. Het gaat hier om een forse uitbreiding. Volgens de aangiften omzetbelasting bedraagt de omzet van de eenmanszaak over 2010 namelijk ruim € 9,3 miljoen. Ter vergelijking, de omzet van de eenmanszaak over 2009 bedroeg volgens de aangiften omzetbelasting € 375.561. In werkelijkheid is het de stiefzoon van de man die de nieuwe activiteiten uitvoert. De man houdt zich alleen bezig met de administratieve afhandeling van de in- en uitvoer. Hij ontvangt daarvoor een vergoeding. Deze vergoeding dient feitelijk als afbetaling van een lening die hij een paar jaar daarvoor heeft verstrekt aan zijn stiefzoon.
In 2010 raakt de eenmanszaak betrokken bij btw-carrouselfraude. De FIOD komt achter de volgende gang van zaken. De eenmanszaak koopt de telefoons en tablets in bij rechtspersonen uit het Verenigd Koninkrijk, Denemarken en Duitsland. Vervolgens vindt een doorverkoop plaats aan afnemers in met name België en Zwitserland. Maar het gaat daarbij om schijnleveringen. Feitelijk verkopen de buitenlandse afnemers de producten door aan Nederlandse afnemers, de zogeheten ploffers. De goederen zijn dus nooit in België of Zwitserland aangekomen. Hoewel de ploffers de btw aftrekken, hebben zij de btw over hun verkopen in Nederland nooit afgedragen.
Naar aanleiding van een strafrechtelijk onderzoek wordt de ondernemer onder andere deelname aan een criminele organisatie en het opzettelijk indienen van onjuiste btw-aangiften ten laste gelegd. Maar Rechtbank Amsterdam spreekt hem vrij van deze tenlasteleggingen. Uiteindelijk is het de stiefzoon die zijn stiefvader heeft misleid om zijn eenmanszaak te gebruiken voor de belastingfraude. De man weet overigens wel dat zijn stiefzoon in het verleden een keer in voorarrest heeft gezeten voor btw-fraude met telefoons.
De vrijspraak van de man neemt niet weg dat de Belastingdienst hem een naheffingsaanslag omzetbelasting oplegt. De inspecteur verwijt hem namelijk ten onrechte het nultarief te hebben toegepast. Wanneer de man in beroep gaat, oordeelt Rechtbank Noord-Nederland dat de man niet de bedoeling had om zich met btw-fraude in te laten. De lat voor de toepassing van het nultarief ligt echter hoog. Pas bij afwezigheid van alle schuld (avas) heeft de ondernemer recht op toepassing van dit tarief. Maar de rechtbank meent dat de man wel iets valt te verwijten. Ondanks zijn bekendheid met de voorgeschiedenis van zijn stiefzoon, heeft de man hem zijn gang laten gaan met zijn bedrijf. De man heeft dus niet alles gedaan om fraude te voorkomen. En daarom mag de Belastingdienst hem een naheffingsaanslag opleggen.

Bron: Rb. Noord-Nederland 22-12-2020

Niet-ingetrokken VAR-wuo bindt inspecteur

Rechtbank Noord-Nederland kent aan een voor het jaar 2015 afgegeven verklaring arbeidsrelatie-winst uit onderneming zelfstandige betekenis toe. De fiscus is daardoor in beginsel gebonden aan deze verklaring.

Een man drijft tot en met 2013 een onderneming. In 2014 handelt hij in tweedehands goederen, maar deze activiteiten beëindigt hij op 30 juni 2014. Vervolgens verricht hij vanaf maart 2015 werkzaamheden die men kan omschrijven als het uitoefenen van een klussenbedrijf. De man vraagt voor het jaar 2015 een Verklaring Arbeidsrelatie (VAR) aan bij de fiscus. Daarop geeft de Belastingdienst een Verklaring Arbeidsrelatie winst uit onderneming (VAR-wuo) af. In 2018 laat de inspecteur de man weten toch te twijfelen aan de hoedanigheid waarin de man zijn werkzaamheden in 2015 heeft verricht. De man kan deze twijfel niet wegnemen. De fiscus besluit de inkomsten uit de activiteiten te bestempelen als resultaat uit overige werkzaamheden. De man protesteert en stelt dat de Belastingdienst is gebonden aan de VAR-wuo.
De rechtbank merkt op dat de VAR-wuo niet is herzien of ingetrokken. Vervolgens wijst de rechtbank erop dat in 2015 aan de VAR een zelfstandige betekenis toekwam. De geldigheid van de VAR-wuo is dus niet alleen gebaseerd op het vertrouwensbeginsel. Tenzij de man de VAR onder valse voorwendsels heeft aangevraagd, is de inspecteur gebonden aan de VAR-wuo. De rechtbank oordeelt dat deze uitzondering zich hier niet voordoet. De man is in 2015 maar net begonnen met zijn klusbedrijf. Hij kon toen niet precies weten hoeveel opdrachtgevers hij zou krijgen. Hoewel de man drie tot zeven opdrachtgevers verwachtte, heeft hij in werkelijkheid in 2015 maar één opdrachtgever gehad. De werkelijkheid kan echter nu eenmaal afwijken van verwachtingen. Verder gelooft de rechtbank dat de man voor mond-tot-mond reclame heeft gezorgd. In zijn branche is dat een belangrijke vorm van reclame. De rechtbank verklaart het beroep van de man daarom gegrond.

Bron: Rb. Noord-Nederland 16-12-2020

Grens van 10% geldt wel bij gering zakelijk gebruik auto

Volgens de hoofdregel is pas bij een zakelijk en privégebruik van meer dan 10% sprake van keuzevermogen. Maar een auto is verplicht ondernemingsvermogen voor de inkomstenbelasting als het privéverbruik minder dan 500 kilometer per jaar bedraagt. Het omgekeerde is echter niet het geval, zo oordeelt Hof Arnhem-Leeuwarden. Stel dat het zakelijk gebruik minstens 500 kilometer is, maar minder dan 10% van het totaal. In dat geval is de auto toch verplicht privévermogen.

Een ondernemer monteert bij de klanten van een keukenbedrijf thuis keukens. Hij heeft zowel een bestelauto als een personenauto op zijn naam staan. De man rekent de personenauto tot zijn ondernemingsvermogen. De fiscus vindt dat de man deze keuze niet mag maken omdat zijn zakelijk gebruik ontoereikend is. De partijen gaan voor Rechtbank Noord-Nederland uit van een totaal jaarlijks gebruik van 22.000 kilometer, waarvan 1.453 zakelijke kilometers zijn. Van het totaal is dus minder dan 10% zakelijk. Maar de rechtbank oordeelt dat dit percentage niet van belang is. Voor de vermogensetikettering van auto’s is alleen de grens van 500 kilometer relevant, aldus de rechtbank. Het zakelijk gebruik overtreft deze grens, zodat de auto keuzevermogen is.
De inspecteur gaat echter in hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank. Het hof redeneert als volgt. Een auto vormt in geen geval privévermogen als het privégebruik nog geen 500 kilometer per jaar is. Maar deze regeling is een uitzondering op de hoofdregel in de vermogensetikettering voor de kwalificatie van keuzevermogen. Volgens de hoofdregel kan een vermogensbestanddeel alleen keuzevermogen zijn als zowel het zakelijk als privégebruik minstens 10% is. De grens van 500 kilometer geldt alleen bij een gering privégebruik, zo oordeelt het hof. Bij een gering zakelijk gebruik is de hoofdregel van toepassing. De personenauto is dus in deze zaak verplicht privévermogen.

Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden 12-01-2021

Geen NOW door te late correctie loonaangifte

Het UWV kan de toepassing van de tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid 2.0 weigeren als relevante loongegevens missen op de peildatum. Een werkgever kan zijn recht op deze subsidie niet redden door na de peildatum de loongegevens te corrigeren.

Een bv die een restaurant dreef had op 6 juli 2020 een aanvraag ingediend op grond van de tijdelijke noodmaatregel overbrugging voor behoud van werkgelegenheid (NOW) 2.0. Het UWV constateerde dat op de peildatum van 15 mei 2020 de loonsom over maart 2020 nihil was. Daarom kende het UWV de bv geen NOW 2.0-subsidie toe. De bv ging in beroep tegen deze weigering. Zij stelde dat haar accountant zonder overleg en haar medeweten een nihilaangifte over maart 2020 had ingediend. Hij had dit gedaan om meer tijd te winnen om uit te zoeken hoe hij oproepkrachten vanaf de sluiting in maart moest verlonen. Op 15 juli 2020 had hij de loonaangifte ook echt gecorrigeerd.
Rechtbank Den Haag wijst erop dat het UWV terecht heeft gekeken naar de loonaangifte zoals die uiterlijk op 15 mei 2020 is ingediend. Daarmee moet het UWV alleen aanvullingen meenemen die uiterlijk 15 mei 2020 hebben plaatsgevonden. Het UWV neemt dus latere correctieberichten niet mee. Dit is allemaal opgenomen in de regeling. De bv betoogt dat zij mocht uitgaan van het loon over de maand november 2019 omdat de loongegevens over maart 2020 onbekend waren. Maar de rechtbank meent dat op de peildatum wel loongegevens beschikbaar waren. Het was niet zo dat de bv niet kon inloggen met de verplichte eHerkenning. Ook oordeelt de rechtbank dat de fout van de accountant voor risico en rekening van de bv komt. De rechtbank verklaart het beroep van de bv ongegrond.

Bron: Rb. Den Haag 08-12-2020 (gepubl. 22-12-2020)(ECLI:NL:RBDHAL:2020:12419)

Feestelijke zakenlunch vergroot aftrek voorbelasting niet

Een bv die een pand met een woon- en kantoorfunctie krijgt, houdt daar kort na de oplevering een feestelijke lunch met zakenrelaties. AIs de verhuizing van dga van de bv naar het pand vóór die lunch feitelijk al is voltooid, dan leidt het houden van de feestelijke lunch er niet toe dat de bv begint met een volledige aftrek van voorbelasting.

Een bv adviseert ten aanzien van de exploitatie van olie- en gasbronnen. Zij koopt in 2010 een stuk bouwgrond. Deze grond heeft een woonbestemming. De bv laat op de aangekochte grond een villa met een bijgebouw bouwen. Op grond van het bestemmingsplan van de gemeente mag een woning alleen een werkruimte bevatten als de woonfunctie voor meer dan 50% gehandhaafd blijft. De bv neemt een architectenbureau in de arm en vraagt dat bureau om op de bouwtekeningen te vermelden dat het om een bedrijfswoning gaat. Wanneer de gemeente vragen stelt over de bestemming, antwoordt het architectenbureau dat de villa geen dienstwoning is.
Op 7 december 2013 vindt de oplevering van de villa plaats. De bv organiseert daar op 14 december een feestelijke lunch met zakenrelaties. Vervolgens overnachten drie buitenlandse zakenrelaties in de villa. Vanaf 9 januari 2014 staan de dga van de bv en zijn echtgenote in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven op het adres van de villa. Zij huren het pand van de bv. Maar volgens de bv was de feestelijke lunch het eerste gebruik van de villa. Omdat dit een zakelijke aangelegenheid was, meent de bv alle voorbelasting in aftrek te kunnen brengen. De eerste herziening vindt pas plaats in 2014, aldus de bv. Daarbij stelt zij 61% van het pand zakelijk te gebruiken. De inspecteur meent echter meent dat het eenmalige en kortstondige karakter van deze feestelijke lunch verhindert dat dit telt als een eerste ingebruikname. Hij legt de bv daarom een naheffingsaanslag inclusief verzuimboete op.
Rechtbank Den Haag verwerpt het standpunt van de fiscus dat de lunch geen eerste ingebruikname kan zijn. Maar de rechtbank constateert ook dat in december 2013 de verhuizing van de dga en zijn echtgenote naar de villa al grotendeels was voltooid. Uit foto’s van de feestelijke lunch blijkt verder dat de inrichting van de villa naderhand niet wezenlijk is gewijzigd. Het houden van de zakenlunch betekent dus niet dat alsnog de hele btw in het vierde kwartaal van 2013 aftrekbaar is. Bovendien stelt de rechtbank het zakelijk gebruikte deel vast op 20% van de villa. De verzuimboete blijft grotendeels in stand, omdat belastingrechter het afwijkende standpunt van de bv niet pleitbaar vindt.

Bron: Rb. Den Haag 14-12-2020

Rentevoordeel dga hoeft geen verkapt dividend te zijn

Het kan gebeuren dat een aandeelhouder geld van zijn bv leent om dit bedrag vervolgens weer uit te lenen aan een voormalige schuldenaar van de bv. In zo’n geval kan de Belastingdienst besluiten een eventueel rentevoordeel aan te merken als een verkapte winstuitdeling. Rechtbank Zeeland-West-Brabant vindt echter dat de fiscus dan eerst moet bewijzen dat de lening van de bv onzakelijk is.

Een man houdt indirect een belang van 50% in een bv die een assurantiekantoor exploiteert. De bv verkoopt op 1 september 2013 haar verzekeringsportefeuille aan een derde. Om deze verkoop te faciliteren leent de bv de koper bedragen van in totaal € 135.000. Op 16 april 2014 leent de man zelf een bedrag van € 200.000 van zijn bv 2,5% interest per jaar. Dit bedrag leent hij in dezelfde maand door aan de koper van de verzekeringsportefeuille. Daarbij komen de partijen een interestvergoeding overeen van 12% per jaar. De einddatum van de lening van € 200.000 ligt rond 1 januari 2017. De koper lost op 22 april 2014 de schuld van € 135.000 aan de bv af.
De inspecteur bestempelt het rentevoordeel van 12% -/- 2,5% = 9,5% over de lening van € 200.000 als een verkapte winstuitdeling. Volgens hem heeft de bv de man een voordeel doen toekomen door de lening via hem te laten lopen. Daarnaast constateert de Belastingdienst dat de man over de jaren 2015 en 2016 geen rente heeft betaald aan de bv. Daarom neemt de fiscus bij de man ook voor dat onbetaalde rentebedrag een verkapte winstuitdeling in aanmerking. Maar de man start daarop een beroepsprocedure.
De rechtbank verwerpt de stelling van de Belastingdienst dat de man de lening aan de koper heeft overgenomen, omdat de koper de oude lening heeft afgelost. Daardoor vormt de lening van € 200.000 een nieuwe financiering. Daarnaast zijn de overeengekomen interestpercentages en leningsvoorwaarden zakelijk. Nu heeft de man inderdaad een hoge rente bedongen, maar hij heeft ook te maken met een ander risicoprofiel. De rechtbank oordeelt daarom dat het renteverschil geen verkapte winstuitkering vormt. De rechter bestempelt het niet betalen van de interest aan de bv wel als een aandeelhoudersvoordeel. Omdat de zoon van de man ook een indirect belang van 50% in de bv heeft, is slechts de helft van de onbetaalde rente bij de man belast.

Bron: Rb. Zeeland-West-Brabant 17-12-2020

Pilot Webmodule Beoordeling Arbeidsrelatie

De Webmodule Beoordeling Arbeidsrelatie start de komende zes maanden als pilot. De webmodule is een online vragenlijst waarmee de opdrachtgever duidelijkheid kan krijgen over de arbeidsrelatie met een opdrachtnemer.

De regels over inhuur van zzp’ers zijn voor veel opdrachtgevers onduidelijk. Daarom heeft het kabinet een webmodule laten maken die kan helpen bij de beoordeling van de arbeidsrelatie. De vragenlijst is een hulpmiddel om vast te stellen of de opdrachtnemer de werkzaamheden buiten een dienstbetrekking kan uitvoeren. De webmodule staat op Ondernemersplein.kvk.nl.
Deze pilot webmodule is anoniem en er kunnen in deze fase geen rechten aan worden ontleend. Het kabinet wil de pilot later dit jaar evalueren om erachter te komen of de module als instrument behulpzaam is en om hem waar nodig te verbeteren. Na afloop van de pilot beslist het kabinet op welk moment de handhaving (gefaseerd) wordt opgestart, op z’n vroegst is dat 1 oktober 2021.

Bron: Min. SZW en MvF 11-01-2020, Ondernemersplein.KVK.nl

Splitsingsvrijstelling OVB ook voor vastgoed als belegging

Om te bepalen of voor de overdrachtsbelasting een beroep kan worden gedaan op de splitsingsvrijstelling is de rechtspraak van het HvJ inzake het begrip fusie van belang. Uit die rechtspraak volgt dat de fusierichtlijn ook geldt voor vennootschappen zonder materiële onderneming.

Een bv ontstaat in 2015 uit een juridische splitsing van G bv. G bv had twee 50%-aandeelhouders, een broer en een zus. Deze laatste houdt de aandelen in deze bv. De tweede vennootschap die bij die splitsing ontstond is de persoonlijke houdster-bv van de broer. De bv verkreeg alle aandelen in een onroerendezaakrechtspersoon. De bv heeft bij de verkrijging van de aandelen in de onroerendezaakrechtspersoon een beroep gedaan op de splitsingsvrijstelling voor de overdrachtsbelasting. De inspecteur vennootschapsbelasting heeft de splitsingsvrijstelling vennootschapsbelasting verleend.
Bij de Hoge Raad is het de vraag of overdrachtsbelasting verschuldigd is bij de verkrijging door de bv van de aandelen in de onroerendezaakrechtspersoon. Met name betreft het de vraag of aan de splitsing zakelijke overwegingen ten grondslag hebben gelegen.
Hof Arnhem-Leeuwarden heeft de vrijstelling niet van toepassing geacht. De Hoge Raad casseert die uitspraak echter en zet uiteen dat de splitsingsvrijstelling volgens de Fusierichtlijn moet worden uitgelegd. Doorslaggevend voor de uitleg van het begrip ‘zakelijke overwegingen’ is de rechtspraak van het HvJ. Uit die rechtspraak volgt dat het niet uitmaakt of een verwervende of een verworven vennootschap al dan niet een materiële onderneming drijft. Ook zonder een onderneming in voornoemde zin bestaat mogelijkheid dat de fusie berust op zakelijke overwegingen.
Er is geen reden om aan te nemen dat voor vennootschappen waarin geen materiële onderneming zit de vrijstelling niet zou gelden. Volgens de Hoge Raad staat vast dat de jurisprudentie van het HvJ over de fusievrijstelling, ook in dit geval geldt. De tekst van de Fusierichtlijn maakt namelijk geen onderscheid tussen fusies en splitsingen. Daarom is het uitgangspunt dat ook vennootschappen zonder materiële onderneming zakelijke overwegingen kunnen hebben om te herstructureren. De in art. 5c, lid 1, Uitvoeringsbesluit BRV genoemde herstructurering of rationalisering van actieve werkzaamheden zijn niet meer dan voorbeelden van zakelijke overwegingen voor een splitsing.

Bron: HR 18-12-2020

Uitbreiden en later kwijtschelden lening is geen schenking

Een ouder kan via zijn eigen bv geld lenen aan een vennootschap van zijn kind. Is deze lening onzakelijk, dan kan sprake zijn van een verkapte schenking. Maar een uitbreiding van deze lening en latere kwijtschelding hoeft volgens Rechtbank Gelderland geen schenking te vormen.

Een vader van drie kinderen is tevens enig aandeelhouder van een bv. Zijn kinderen hebben allemaal een eigen holding. Op 13 december 2007 leent de bv van vader aan iedere holding van de kinderen een bedrag van € 166.670 uit. De looptijd van deze leningen is twee jaar en de rente bedraagt 6%. De holdings lenen deze bedragen vervolgens uit aan hun gezamenlijke dochtervennootschap. Op 2 januari 2008 breiden de partijen de bestaande leningen uit tot een bedrag van maximaal € 700.000. Eind 2009 verlengt de bv de looptijd van de lening. Diezelfde dag cederen de holdings hun vorderingen op hun dochtervennootschap aan de bv van de vader. Eind 2014 scheldt de bv de dochtervennootschap haar schuld kwijt.
Vervolgens ontstaat tussen een zoon van de dga en de Belastingdienst een geschil over de fiscale gevolgen van het verstrekken, uitbreiden en kwijtschelden van de lening. De inspecteur meent dat het verstrekken van de leningen in 2007 kwalificeert als een schenking door de vader aan zijn kinderen. De Belastingdienst stelt het bedrag van de schenking op het aanvaarde onzakelijke debiteurenrisico. Met het uitbreiden van de leningsovereenkomst heeft volgens de fiscus eveneens een schenking plaatsgevonden. De inspecteur meent dat het een schenking onder opschortende voorwaarde betreft. De zoon bestrijdt dit alles en begint een bezwaar- en beroepsprocedure.
De rechtbank merkt op dat de zoon het bezwaarschrift tegen de aanslag schenkbelasting over 2007 te laat heeft ingediend. Zijn beroep tegen deze aanslag is dus niet-ontvankelijk. De fiscale kwalificatie van de uitbreiding van de leenovereenkomst en de kwijtschelding komt wel aan bod. De rechter oordeelt dat deze handelingen geen verkapte schenkingen vormen. De fiscus maakt namelijk niet aannemelijk dat de partijen bij het aangaan van de lening een opschortende voorwaarde zijn overeengekomen. De bv liep wel een debiteurenrisico, maar dat is kenmerkend voor het uitlenen van geld. De kwijtschelding vloeit daarom niet voort uit een opschortende voorwaarde.

Bron: Rb. Gelderland 06-11-2020 (gepubl. 04-01-2021)

Geen giftenaftrek vanwege ontbreken getekende verklaring

Als een vrijwilliger afziet van een kostenvergoeding voor werkzaamheden voor een ANBI kan hij die niet bedongen vergoeding onder voorwaarden als gift in aftrek brengen op zijn inkomen. De ANBI moet daarvoor een verklaring afgeven. Daarin moet staan dat de belanghebbende zich als vrijwilliger voor de ANBI heeft ingezet en aanspraak kan maken op de in de verklaring genoemde vergoeding.

De rechtbank benoemt een man in 2013 tot mentor. In de verklaring inzake mentorvergoeding geeft de man aan alleen aanspraak te willen maken op een kostenvergoeding van € 250. De mentor past in zijn aangifte inkomstenbelasting de giftenaftrek toe op niet-bedongen beloningen en niet-gedeclareerde kosten. De inspecteur weigert de geclaimde giftenaftrek.
Bij Hof Arnhem-Leeuwarden staat de toepassing van de giftenaftrek op de niet-bedongen beloning en niet-gedeclareerde kosten ter discussie. De mentor wil de niet-bedongen beloning voor aanvangswerkzaamheden mentorschap en de beloning voor het mentorschap in aftrek brengen als gift. Ook wil de mentor een aantal niet-gedeclareerde kosten als gift in aftrek brengen.
Het hof vindt het niet waarschijnlijk dat de mentor recht zou hebben gehad op een vergoeding voor aanvangswerkzaamheden. De man is namelijk al in 2013 tot mentor benoemd. De mentor heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij heeft afgezien van een vergoeding voor mentorschap met de enkele verwijzing naar de verklaring. Uit de verklaring blijkt niet dat de mentor heeft afgezien van een beloning. Voorts gaat het hof niet akkoord met aftrek van giften van de niet-gedeclareerde kosten voor het meenemen van bewoners van een stichting.
De reden dat het hof de giftenaftrek voor de niet-bedongen beloning en de niet-gedeclareerde kosten weigert is het ontbreken van een getekende verklaring. Daardoor is niet duidelijk dat en tot welke bedragen de mentor exact heeft afgezien van een beloning of een kostenvergoeding.

Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden 08-12-2020

Rittenregistratie zonder exacte adressen kan geldig zijn

Door het bijhouden van een goede rittenregistratie kan een ondernemer met een auto van de zaak de toepassing van het autokostenforfait achterwege laten. Volgens Rechtbank Noord-Nederland hoeft een rittenregistratie niet perfect te zijn. Hoe verder het aantal geregistreerde privékilometers onder de 500 kilometer zit, des te groter de foutmarge. Zo hoeft zelfs het ontbreken van exacte adresgegevens niet fataal te zijn.

Een ondernemer is via zijn eenmanszaak actief op het gebied van technisch ontwerp en advieswerkzaamheden en soft- en hardware engineering in de industrie. De man rekent een auto tot het vermogen van zijn eenmanszaak. Zijn gezin beschikt over een andere auto. De ondernemer houdt over de jaren 2012 tot en met 2016 rittenregistraties bij in Excel-bestanden. Tijdens een boekenonderzoek door de fiscus blijken deze bestanden te zijn beschadigd. Zij zijn als rittenadministratie vrijwel volledig onleesbaar. De man besluit de rittenregistraties te reconstrueren. Dit doet hij aan de hand van het leesbare deel van de bestanden, zijn urenregistratie, zijn agenda, zijn facturen en een routeplanner. De inspecteur accepteert de gereconstrueerde rittenregistraties niet vanwege het ontbreken van exacte adressen.
De Belastingdienst legt de man over de jaren 2012 tot en met 2016 navorderingsaanslagen inkomstenbelasting op. De man gaat in beroep tegen deze aanslagen. De rechtbank wijst de fiscus op de vrije bewijsleer. Een rittenregistratie is daarom niet de enige manier om te bewijzen dat een ondernemer hoogstens 500 privékilometers heeft gereden. Zelfs een eigen verklaring van de belastingplichtige kan volgens de rechtbank genoeg zijn. Hierbij is wel van belang hoeveel gewicht die verklaring in de schaal legt.
De rechtbank aanvaardt de gereconstrueerde rittenregistraties over de jaren 2014 en 2015. Deze registraties bevatten enkele aanknopingsverschillen, maar deze zijn niet fataal. Het gaat in deze jaren om betrekkelijk kleine en verklaarbare verschillen. De foutmarges zijn krap, maar voldoende om kleine verschillen op te vangen. De rechtbank vernietigt daarom de navorderingsaanslagen over 2014 en 2015. De gebreken in de gereconstrueerde rittenregistraties over de jaren 2012, 2013 en 2016 zijn ernstiger. De aanknopingsverschillen zij te groot om onder de krappe foutmarge te vallen, zodat in de desbetreffende jaren het autokostenforfait van toepassing is.

Bron: Rb. Noord-Nederland 17-12-2020

Subsidieloket elektrische auto weer open

Vanaf maandag 4 januari 2021 09.00 uur is het weer mogelijk om als particulier € 4.000 subsidie aan te vragen voor de aanschaf van een elektrische auto. De verwachting is dat de subsidiepot snel leeg is.

Voorwaarde voor het indienen van een subsidieaanvraag is dat het koopcontract op of na 1 januari 2021 is gesloten. Verder mag de catalogusprijs van de elektrische auto niet lager zijn dan € 12.000 en niet hoger dan € 45.000, moet de auto een actieradius hebben van minimaal 120 kilometer en mag de auto niet zijn omgebouwd tot elektrische auto. De subsidiepot 2021 voor nieuwe elektrische auto's is € 1.108.000, men moet er dan ook snel bij zijn. Dat bedrag is goed voor 275 nieuwe auto’s.
Nadat het voor 2020 beschikbare bedrag na acht dagen verbruikt was, werd de subsidie voor dit jaar naar voren gehaald. Staatssecretaris van Veldhoven van Infrastructuur en Waterstaat zette hier in oktober een streep door, omdat het bedrag opnieuw vliegensvlug slonk.
Als het voor 2021 beschikbare restbedrag is verbruikt, zullen particulieren tot 2022 moeten wachten. Pas dan is het weer mogelijk om subsidie aan te vragen. Op de website van rvo.nl staat een actueel overzicht van het subsidiebudget.
De subsidiepot 2021 voor gebruikte elektrische auto’s bedraagt € 13.500.000. de subsidie voor gebruikte auto’s bedraagt € 2.000.

Bron: RVO.nl en NU.nl 4-1-2021