X
HOME
ORGANISATIE
DIENSTEN
ACTUEEL
DOWNLOADS
CONTACT
    Privacy statement
Algemene voorwaarden
Copyright

Leeftijdsgrens schenking eigen woning is toegestaan

Op de schenking van ouders aan hun kinderen is een eenmalige verhoogde vrijstelling van schenkbelasting toe te passen als het kind de schenking besteedt aan zijn eigen woning. Maar dan moet de begunstigde in beginsel wel tussen de achttien en veertig jaar oud zijn. Rechtbank Gelderland ziet in deze leeftijdsgrens geen verboden vorm van discriminatie.

Ouders kunnen onder voorwaarden hun kinderen tot een bedrag van € 103.643 (bedrag 2020) schenken zonder dat het kind daarover schenkbelasting hoeft te betalen. Ten eerste moet het kind of zijn fiscale partner tussen de achttien en veertig jaar oud zijn. Daarnaast moet hij het geschonken bedrag besteden aan zijn eigen woning. Een man stelt voor de rechtbank dat de leeftijdseis van de verhoogde vrijstelling discriminerend is. In 2017 heeft de man als 43-jarige van zijn vader € 40.000 ontvangen om zijn hypotheek af te lossen. Zijn broer van 39 heeft eenzelfde schenking ontvangen. De man eist dezelfde fiscale behandeling als zijn jongere broer, die geen schenkbelasting hoeft te betalen.
De rechtbank wijst erop dat in beginsel pas sprake is van verboden discriminatie als geen gerechtvaardigde doelstelling ten grondslag ligt aan een gemaakt onderscheid. Overigens moet zo’n maatregel wel in een redelijke verhouding staan tot het onderscheid. Anders is alsnog sprake van discriminatie. De rechtbank gaat vervolgens in op de doelstelling van de leeftijdsgrens van de verhoogde vrijstelling. De leeftijdsgroep tot veertig jaar krijgt het meest te maken met onderwaarde van hun woning. Verder hebben jonge huishoudens tot veertig jaar doorgaans geen of krappe financiële buffers. De rechtbank acht deze veronderstellingen niet zo onredelijk. En dus is de wetgever binnen zijn ruime beoordelingsvrijheid gebleven. De rechtbank verklaart het beroep van de man dan ook ongegrond.

Bron: Rb. Gelderland 12-10-2020 (gepubl. 20-11-2020)

Tekst in naheffingsaanslag loonheffingen onjuist

De Belastingdienst laat weten dat er door een technische fout een onjuiste tekst in naheffingsaanslag loonheffing staat. Het gaat om naheffingsaanslagen die sinds februari 2020 zijn verstuurd.

Werkgevers die in 2020 over één of meerdere tijdvakken geen aangifte loonheffing hebben gedaan, hebben sinds februari 2020 een naheffingsaanslag met de volgende tekst ontvangen:
‘U krijgt deze naheffingsaanslag, omdat wij uw aangifte loonheffingen over tot en met niet hebben ontvangen. Doe deze aangifte alsnog zo snel mogelijk. U hebt de loonheffingen wel betaald.
Omdat wij geen aangifte hebben ontvangen, hebben wij het bedrag van de loonheffingen hieronder geschat. Onze schatting is gelijk aan uw betaling. U hoeft daarom alleen de boete te betalen.’
De tekst is ‘U hebt de loonheffingen wel betaald.’ is niet correct. Op de datum van de naheffingsaanslag had de werkgever de loonheffingen juist niet of nog niet volledig betaald. Overigens hoeft er geen boete te worden betaald. Vanwege de coronacrisis legt de Belastingdienst tijdelijk geen boetes op als de werkgever geen aangifte loonheffingen doet.
De Belastingdienst adviseert om zo snel mogelijk alsnog aangifte loonheffingen te doen. Nadat de Belastingdienst de aangifte loonheffingen heeft ontvangen, wordt berekend hoeveel belasting men moet betalen. Is intussen al (een deel van) het bedrag betaald dan wordt dit verrekend. Teveel betaalde bedragen worden terugbetaald.

Bron: Belastingdienst, 20-11-2020

Geen open cv als stille vennoot te weinig stort

In beginsel is een open commanditaire vennootschap zelfstandig belastingplichtig voor de vennootschapsbelasting. Maar hoe zit dat als de commanditaire vennoot zo weinig geld stort, dat feitelijk geen sprake is van enige samenwerking? Volgens Rechtbank Noord-Holland komt in dat geval geen open cv tot stand.

Een man handelt via internet in tickets voor concerten, (sport)evenementen en theater. Aanvankelijk drijft hij deze onderneming via zijn eenmanszaak. De man beweert dat sinds 10 februari 2010 de tickethandel plaatsvindt via vier opeenvolgende open cv’s. Daarbij treedt zijn eigen Ltd. steeds op als de beherend vennoot. Maar de inspecteur kent aan deze open cv geen reële economische en fiscale betekenis toe. Hij wijst erop dat de cv-overeenkomsten ontbreken of gebreken vertonen. Daarnaast ontbreken overeenkomsten van opdracht en aparte administraties voor de cv’s. Ten slotte verlopen de betalingen via de privébankrekening van de man.
De man begint een beroepsprocedure. De rechtbank merkt op dat in deze kwestie de civielrechtelijke vorm bepalend is. Civielrechtelijk gezien is een cv een gekwalificeerde vorm van een maatschap. Twee of meer personen spreken dus af iets in gemeenschap te brengen. Het is de bedoeling dat zij het voordeel uit deze gemeenschap met elkaar delen. Maar in deze zaak blijkt de commanditaire vennoot nauwelijks wat bij te dragen. Feitelijk is de man de cv. En dat is ook precies zijn bedoeling. De rechtbank oordeelt dan ook dat de open cv’s niet tot stand zijn gekomen. De man geniet daarom nog steeds winst uit onderneming.

Bron: Rb. Noord-Holland 26-10-2020

Fikse belastingopbrengst door inkeerregeling

Uit onderzoek van het Centraal Planbureau (CPB) blijkt dat de inkeerregeling € 2,1 miljard aan belastingen heeft opgeleverd. Tussen 2002 en 2018 is er voor ongeveer € 12 miljard aan verborgen vermogen alsnog aangegeven bij de Belastingdienst.

Volgens internationale schattingen hebben Nederlandse huishoudens voor ruim € 60 miljard uitstaan in belastingparadijzen. De lage boetes voor vrijwillige inkeer en internationale uitwisseling van informatie lijken de vrijwillige inkeer te hebben gestimuleerd.
Vooral de meest vermogende huishoudens (5%) hebben van de inkeerregeling gebruik gemaakt. De correctie van verborgen vermogen verhoogt het aandeel van de rijkste 1.000 huishoudens in de totale vermogensverdeling van 8,8% naar 9,4%.
Het ingekeerde vermogen komt voor de iets minder vermogende huishoudens vooral uit België, en voor de groep meest vermogende huishoudens uit Zwitserland. Dit lijkt een aanwijzing dat de huishoudens met de hoogste vermogens die belasting willen ontduiken het vermogen verder weg plaatsen en wellicht ook meer geavanceerde constructies gebruiken.
Deelname aan de inkeerregeling leidt ook tot hogere belastingopbrengsten op de lange termijn. Het box-3-vermogen van inkeerders neemt met ongeveer 60% toe als van de inkeerregeling gebruik wordt gemaakt. Ook in de jaren daarna blijft het box-3-vermogen op dat niveau. Na inkeer staat het vermogen vooral op spaar- en beleggingsrekeningen. Gemiddeld genomen wordt een klein deel besteed aan onroerend goed of geschonken aan familieleden.

Bron: CPB 17-11-2020

Bomen rooien wijst op overgang bosgrond naar landbouwgrond

Het kan gebeuren dat een agrarische ondernemer een stuk grond koopt dat is beplant met bomen. Voordat de agrariër landbouwgewassen op die grond kan telen, moet hij deze bomen eerst laten rooien en de wortels laten wegrotten. In zo’n geval is sprake van een sfeerovergang van bosgrond naar landbouwgrond. Voor zover daardoor de waarde bij agrarische bestemming stijgt, valt dat voordeel niet onder de landbouwvrijstelling. Tot dit oordeel komt Rechtbank Noord-Nederland.

Een man drijft met zijn echtgenote een agrarische onderneming. Op 15 oktober 2009 gaat de man samen met zijn zoon en twee andere personen een VOF aan. De vennoten kopen een perceel, dat zij vervolgens in de VOF inbrengen. Het perceel is door de vorige eigenaren met bomen beplant. De vorige eigenaren wilden deze bomen exploiteren. De vennoten laten de geplante bomen rooien. Na verloop van tijd zijn ook de wortels weggerot en is de grond geschikt voor de teelt van landbouwgewassen. In 2012 herwaarderen de vennoten de grond naar de waarde in het economische verkeer bij agrarische bestemming (wevab). De man behaalt daardoor een boekwinst op van ongeveer € 2,3 miljoen. Volgens hem vat deze boekwinst onder de landbouwvrijstelling.
De man hanteert als argument dat de vennoten de grond ondanks de houtopstand als landbouwgrond hebben gekocht. En dus heeft geen sfeerovergang plaatsgevonden. Maar de inspecteur blijft bij zijn standpunt dat de vennoten bosgrond hebben gekocht. De verkopers gebruikten de grond op het moment van de verkoop immers als bosgrond. De rechtbank volgt de redenering van de fiscus. De vorige eigenaren hebben destijds de grond als landbouwgrond gekocht, maar vervolgens gebruikt voor bosbouw. Dat blijkt ook uit hun aanvraag voor een vrijstelling van herplantplicht. Verder moest de VOF na het rooien van de bomen de boomwortels laten wegrotten en gras, klaver en luzerne inzaaien. De rechtbank merkt deze omstandigheden aan als aanwijzingen voor een nieuwe bestemming. Overigens oordeelt de rechter dat de waardestijging van de sfeerovergang tot het moment van herwaardering wel onder de landbouwvrijstelling valt.

Bron: Rb. Noord-Nederland 05-11-2020 (gepubl. 10-11-2020)

Ondernemers verzilveren NGZA niet

Zo’n 5.000 ondernemers hebben in hun aangifte 2019 verzuimd hun belastbare winst te verlagen met door hen opgebouwde niet-gerealiseerde zelfstandigenaftrek (NGZA). Ondernemers voor wie dit geldt, ontvangen daarover binnenkort een informatiebrief van de Belastingdienst.

Ook voor het belastingjaar 2018 hebben circa 20.000 belastingplichtigen zichzelf benadeeld. Deze aangiften neemt de Belastingdienst in behandeling om de aangifte inkomstenbelasting (IB) te corrigeren naar een lagere fiscale winst.
De Belastingdienst stelt in de informatiebrief uit praktische overwegingen voor om, voor zover de ondernemer daar recht op heeft, de NGZA in de aangifte IB 2019 te claimen. De Belastingdienst adviseert een verbeterde aangifte in te dienen als de aangifte al is ingediend.
Bij een beperkte groep belastingplichtigen is verrekening alleen nog in oude jaren mogelijk, waardoor verdamping van het opgebouwde NGZA-saldo dreigt. De Belastingdienst adviseert deze ondernemers per brief om een verbeterde aangifte IB in te dienen over het jaar 2015 of 2016.
Bij adviseurs met meerdere klanten die nog NGZA kunnen claimen, neemt een accountmanager van de Belastingdienst contact op. Zodra de adviseur kan aantonen dat hij nog steeds als gemachtigde optreedt voor deze belastingplichtigen, krijgt hij meer informatie van de accountmanager.
NGZA kan na het ontstaansjaar, in de negen daarop volgende belastingjaren (stallingsperiode) worden verrekend. Dit voor zover de winst daarvoor ruimte biedt en recht op zelfstandigenaftrek bestaat in het betreffende jaar. Verrekening van NGZA moet plaatsvinden in de volgorde waarin deze is ontstaan.
Op dit moment zijn er circa 235.000 belastingplichtigen met een gestald bedrag aan NGZA. Hiervan hebben 180.000 belastingplichtigen in de afgelopen negen jaar nog niet voldoende hoog positief resultaat gerealiseerd om hun belastbare winst te verlagen met NGZA.

Bron: Forum Fiscaal Dienstverleners, 11-11-2020

Tweede Kamer neemt Belastingplan 2021 aan

De Tweede Kamer heeft op 12 november ingestemd met het pakket Belastingplan 2021.

Bij het Belastingplan 2021 zijn een aantal amendementen en moties aangenomen:

  • Amendement over een groter voordeel voor het mkb met de BIK-regeling
  • Amendement over een tijdelijke verhoging van de schenkingsvrijstellingen
  • Amendement over verlenging van de Postcoderoosregeling
  • Motie over beleidsvoorstellen om investeringen aan te jagen en ondernemerschap en innovatie te versterken
  • Motie over het effect van fiscaal beleid op de verjonging van het wagenpark
  • Motie over verdere quick fixes om het toeslagenstelsel te verbeteren
  • Motie over het monitoren van de voortgang met realisatie van in het meerjarenprogramma voorziene infrastructuur
  • Motie over regelen dat alle promovendi recht kunnen krijgen op kinderopvangtoeslag
  • Motie over een termijn van vier weken voor informatieverzoeken na afloop van het toeslagjaar
  • Motie over het gefaseerd verplichten van walstroom in Europese havens
  • Motie over de voorkeur voor een Europese ETS-oplossing bevestigen
  • Motie over de scholingsvrijstelling voor opleidingen in het STAP-register zo veel mogelijk voorbereiden
  • Motie over standaard ook kijken naar het effect op vermogensongelijkheid
  • Motie over neveneffecten van belastingmaatregelen in kaart brengen
  • Motie over onderzoek doen naar de mogelijkheden voor een nationale heffing op nieuw plastic
  • Gewijzigde motie over de commissie draagkracht vragen de overdraagbaarheid van de algemene heffingskorting te betrekken bij haar werkzaamheden
  • Motie over een overzicht van de inningskosten en opbrengsten voor de verschillende belastingsoorten en accijnzen
  • Motie over de mogelijkheid om te kiezen voor een heffing op basis van het werkelijke rendement
  • Motie over onderzoek doen naar de gevolgen van afbouw van de wet-Hillen
  • Motie over een plan van aanpak om de fiscaliteit rondom auto’s aanzienlijk te versimpelen

Bij de Wet differentiatie overdrachtsbelasting zijn de volgende amendementen aangenomen:

  • Amendement over uitzonderen van wooncoöperaties van de verhoging van de overdrachtsbelasting bij verkrijgen woning van woningcorporatie
  • Gewijzigd amendement over een woningwaardegrens van € 400.000 als aanvullende voorwaarde voor de startersvrijstelling
  • Amendement over schrappen van de horizonbepaling

Aangenomen amendementen bij de Wet verbetering uitvoerbaarheid toeslagen:

  • Amendement over verlaging van de termijn voor een vrijheidsbenemende straf om voor kinderopvangtoeslag in aanmerking te komen
  • Amendement over het verhogen van de doelmatigheidsgrens
  • Gewijzigd amendement over een zware voor- en nahang bij de krachtens artikel 38, tweede lid, Awir vast te stellen AMVB
  • Gewijzigd amendement over het faciliteren van een minimale vorm van gegevensuitwisseling tussen de Belastingdienst/Toeslagen en gemeenten

Bij de overige wetsvoorstellen zijn geen amendementen of moties aangenomen.

Bron: Tweede Kamer 12-11-2020

Inschrijving nodig voor kamerverhuurvrijstelling

Uit een recent arrest van de Hoge Raad blijkt dat de inschrijvingseis een harde voorwaarde is voor de kamerverhuurvrijstelling.

Een vrouw verhuurt een gedeelte van haar eigen woning in verschillende periodes van het jaar via Airbnb. Tussen haar en de fiscus ontstaat een geschil over de vraag of de kamerverhuurvrijstelling van toepassing is. De Belastingdienst betwist dit, omdat niet aan de inschrijvingseis is voldaan. Deze eis houdt in dat zowel de verhuurder als de huurder gedurende de tijd van de verhuur als ingezetene op het woonadres ter zake van de woning zijn ingeschreven in de basisregistratie personen. Hof Den Haag oordeelt dat deze inschrijvingseis alleen een bewijsfunctie heeft maar geen harde eis is. De Hoge Raad verwerpt dit standpunt van het hof. De inschrijvingseis is ook een voorwaarde voor toepassing van de kamerverhuurvrijstelling. De inspecteur heeft daarom terecht 70% van de huurinkomsten belast als voordeel uit het tijdelijk ter beschikking stellen van de eigen woning.

Bron: HR 06-11-2020

Bewijs ondernemerschap is lastig bij loondienst

Als een ondernemer een groot aantal uren in dienstverband werkt, is het niet erg aannemelijk dat hij nog aan het urencriterium voldoet. Zo ziet Rechtbank Den Haag dat tenminste.

Een man verricht in 2016 bij vier werkgevers werkzaamheden in dienstbetrekking. Dat jaar werkt hij minstens 2.239 uren voor deze werkgevers. Daarnaast drijft hij een eenmanszaak. De man wil voor 2016 de zelfstandigen- en startersaftrek toepassen, maar de ficus gaat niet akkoord. De Belastingdienst stelt dat de man niet voldoet aan het urencriterium. De man gaat in beroep, maar kan zijn geclaimde uren alleen onderbouwen met een Excelbestand. In dit bestand zitten echter nogal wat onduidelijkheden. Verder verwijst de man naar mondelinge overeenkomsten, maar dit is eveneens zwak bewijs. De rechtbank vindt het gezien het grote aantal in dienstbetrekking gewerkte uren onwaarschijnlijk dat de man nog 1.225 uren kon werken in zijn eenmanszaak.
De rechter meent daarom dat de man niet voldoet aan het urencriterium. Hij heeft dan ook geen recht op zelfstandigen- en startersaftrek.

Bron: Rb. Den Haag 24-09-2020

Wettelijke omschrijving arbeidsovereenkomst doorslaggevend

Volgens de Hoge Raad is de bedoeling van partijen niet van belang bij de beoordeling of een afspraak over het verrichten van werkzaamheden een arbeidsovereenkomst is. Van belang is of de tussen de partijen overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst.

Een vrouw neemt met behoud van haar uitkering deel aan het traject ‘participatieplaatsen’. In dat kader sluit de vrouw twee keer achter elkaar plaatsingsovereenkomsten, telkens voor de duur van zes maanden. De vrouw meent dat ze als servicedeskmedewerker bij de gemeente op grond van de tweede plaatsingsovereenkomst een arbeidsovereenkomst met de gemeente is aangegaan. In een juridische procedure stelt zij dat zij hetzelfde werk verrichtte als de betaalde medewerkers in dezelfde functie. Er is volgens haar sprake van een gewone arbeidsovereenkomst. Daarmee zou zij recht hebben op nabetaling van het bij de door haar uitgevoerde functie behorende loon.
Het hof ging niet mee in de stelling dat de vrouw werkzaam was geweest op basis van een arbeidsovereenkomst. Het hof overwoog onder meer dat de vrouw niet hetzelfde takenpakket uitvoerde als haar betaalde collega’s. Verder overwoog het hof dat het bij de plaatsing van de vrouw in het participatietraject niet de bedoeling van partijen was geweest om een arbeidsovereenkomst aan te gaan. De vrouw stelde daarom beroep in cassatie in bij de Hoge Raad. A-G De Bock ging in haar conclusie uitgebreid in op de vraag wanneer sprake is van een arbeidsovereenkomst en het begrip gezagsverhouding. Zij adviseerde de Hoge Raad om de uitspraak van het hof te vernietigen.
De Hoge Raad oordeelt dat het hof de bedoeling van partijen ten onrechte ook van belang heeft geacht voor de vraag of tussen de gemeente en de vrouw een arbeidsovereenkomst bestaat. Volgens de Hoge Raad is niet van belang of partijen ook daadwerkelijk de bedoeling hadden de arbeidsrelatie onder de wettelijke regeling van de arbeidsovereenkomst te laten vallen. Waar het om gaat, is of de tussen partijen overeengekomen rechten en verplichtingen voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst.
De uitspraak van het hof blijft in stand ook al is het hof op dit punt uit gegaan van een onjuiste maatstaf. Het hof heeft namelijk vervolgens de juiste maatstaf toegepast door te beoordelen of de afspraak over het verrichten van werkzaamheden de kenmerken heeft van een arbeidsovereenkomst. Hierdoor wordt de uitspraak zelfstandig gedragen door de beoordeling op basis van die juiste maatstaf en maakt het toepassen van de verkeerde maatstaf niet dat de uitkomst niet in stand kan blijven. Kortom, de beslissing van het hof dat geen sprake is van een arbeidsovereenkomst blijft in stand.

Bron: HR 06-11-2020

Toekenning kostenvergoeding mag in afzonderlijke brief

Soms vernietigt de inspecteur in een reactie op het bezwaarschrift van een belastingplichtige een aanslag. Hij kan dan via een andere brief een proceskostenvergoeding toezeggen. In zo’n geval heeft het in principe geen zin om voor een proceskostenvergoeding in beroep te gaan.

Een man dient een bezwaarschrift in tegen een aanslag erfbelasting vanwege de verwerping van een legaat. De inspecteur deelt de man per brief mee dat hij de aanslag zal vernietigen. In een afzonderlijke brief meldt de fiscus het voornemen om een proceskostenvergoeding uit te keren. Na een hoorgesprek vernietigt de Belastingdienst middels een uitspraak op bezwaar de aanslag. Vervolgens krijgt de man zijn proceskostenvergoeding uitbetaald. Drie weken later gaat de man in beroep. Hij stelt dat de uitspraak op bezwaar geen beslissing over de proceskostenvergoeding bevatte. Maar de Hoge Raad wijst zijn beroep af. De man heeft van de inspecteur een brief ontvangen met de mededeling dat de fiscus een kostenvergoeding zou uitkeren. Zo’n brief kan men zien als een beslissing op het verzoek om proceskostenvergoeding die de uitspraak op bezwaar complementeert.

Bron: HR 30-10-2020

Gebruik koerslijst voor voldoende verkochte auto’s

Een kentekenhouder die aangifte BPM doet voor een auto, waarvan nog nauwelijks verkopen in Nederland hebben plaatsgevonden, mag voor de berekening van de BPM-grondslag niet uitgaan van een waarde op een algemeen toegepaste koerslijst.

Een bv dient een aangifte BPM in vanwege de registratie van een in Duitsland gekochte cabriolet. Zij meldt in eerste instantie de auto als nieuw aan, maar komt daar later op terug. De bv onderbouwt haar nieuw voorgestelde handelsinkoopwaarde met een koerslijst. Maar de inspecteur wijst het bezwaarschrift van de bv af. Volgens de inspecteur is de cabriolet een zeer jong en exclusief motorvoertuig van een nieuw model. In het desbetreffende jaar zijn nauwelijks exemplaren van deze auto in Nederland geregistreerd. De bv overtuigt echter in een beroepsprocedure Hof Arnhem-Leeuwarden van haar gelijk.
De staatssecretaris van Financiën gaat vervolgens in cassatie tegen de hofuitspraak. Hij stelt dat het gebruik van een koerslijst is bedoeld om een richtprijs te herleiden aan de hand van een wezenlijk aantal transacties. In deze zaak is het aantal transacties om een aanvaardbare schatting te maken te laag, aldus de staatssecretaris. De Hoge Raad is het met de fiscus eens dat de richtprijs van een betrouwbare koerslijst moet zijn bepaald aan de hand van door wederverkopers werkelijk betaalde inkoopprijzen. Van zeer jonge en incourante personenauto’s zullen in principe onvoldoende gegevens zijn. De bv mag de koerslijst dan ook niet gebruiken. Zij moet de afschrijvingstabel uit de uitvoeringsregeling hanteren.

Bron: HR 23-10-2020